WAT IS VRIJDENKEN NU EIGENLIJK?
door Jan Vis, voorzitter
Op de vraag "Wat is vrijdenken nu eigenlijk?" zijn in de loop der tijd verschillende antwoorden gegeven. Uiteraard zijn die antwoorden op zichzelf wel te verdedigen, maar tegenwoordig vinden wij dat zij de inhoud van het begrip 'vrijdenken' veel teveel inperken. Die antwoorden worden namelijk steeds vanuit een andere, zeer bepaalde, gezichtshoek gegeven. Dat betekent dat je het 'vrijdenken' alleen maar als een verzamelbegrip zou kunnen definiëren. Dat kan wel uitlopen in een mooi overzicht van de verschillende stromingen en ideeën binnen de vrijdenkersbeweging, maar de essentie van het vrijdenken zèlf komt niet duidelijk tot uitdrukking. Daarvoor is het noodzakelijk tot een omvattender beschrijving van het vrijdenken te komen.
Ter illustratie van de verschillende definities kan de hieronder volgende
opsomming dienen.
Het gaat dan onder andere om de volgende wel juiste, maar eigenlijk toch
eenzijdige, antwoorden:
1. Verzet
Vrijdenken zou inhouden dat je je in je denken - en natuurlijk als het maar even
kan ook in de praktijk - verzet tegen bepaalde, door de heersende cultuur en door
daarbinnen aanwezige ideologieën voorgeschreven vaststaande opvattingen of
verplichte gedragingen.
Het voornaamste en meest op de voorgrond tredende object van verzet is in dat
geval de godsdienst, voorzover die het denken bepaalde vooronderstellingen
opdringt (bijvoorbeeld dat de wereld door god geschapen zou zijn), het denken bij
de poging om vraagstukken op te lossen een bepaalde methode oplegt (bijvoorbeeld
het lezen in de bijbel en het deemoedig bidden) of zelfs sommige thema's voor
taboe verklaart (zoals het nadenken over het godsbegrip).
Hoewel het vrijdenken zich daartegen terecht verzet, heeft het welbeschouwd toch
een negatief en afhankelijk karakter. Eigenlijk is er zelfs niet goed van 'vrij'
denken te spreken. Het blijft immers steken in het reageren op iets en daarbij
gaat het niet verder dan uitsluitend het bestrijden van dat bepaalde iets dat als
verwerpelijk wordt gezien. Uiteraard is het dan voor zijn activiteiten van dat
verwerpelijke afhankelijk: is 'de vijand' overwonnen, dan is er eigenlijk niets
meer te doen. Bovendien staat het bij voorbaat al vast dat er tal van àndere
zaken zullen zijn ten opzichte waarvan een dergelijk vrijdenken helemaal niet
vrij is omdat er niet de behoefte is zich ertegen te verzetten. Het woordje
'vrij' heeft in dit kader nauwelijks enige wezenlijke betekenis. Het blijft
bevangen in de competitie tussen datgene waar je 'voor' kunt zijn en datgene waar
je 'tegen' bent.
2. Bevrijding
Vrijdenken houdt in dat je je bevrijdt van een aantal in de cultuur maatgevende
voorstellingen omtrent de werkelijkheid en de daaruit voortvloeiende
godsdienstige, wetenschappelijke, ideologische, politieke, economische,
juridische en sociale dogma's en vooroordelen. Je kunt dan van 'bevrijdend
denken' spreken. Het gaat daarbij niet zozeer om verzet tegen het een of ander
maar meer om het loskomen ervan, vergezeld van het zoeken naar nieuwe inzichten,
waarden en normen.
In dit geval heeft het vrijdenken in de praktijk een neutraal karakter ten
aanzien van bedoelde dogma's en voorstellingen, het houdt zich niet langer met
'die onzin' bezig en het is er onverschillig voor geworden. Toch is het er
inhoudelijk nog steeds enigszins afhankelijk van, in die zin dat de thema's voor
dat bevrijdende vrijdenken hun oorsprong vinden in de geldende cultuur. Er is nog
steeds iets aan te wijzen waarvàn het denken zich bevrijd heeft en dat blijft hoe
dan ook van invloed op de nieuw verworven inzichten, waarden en normen. Deze
kunnen namelijk niet aan het feit ontkomen dat zij ontstaan zijn als een
'alternatief' voor aanvankelijk gehuldigde inzichten.
3. Wetenschap
Onder deze noemer houdt vrijdenken in dat je je in alles richt op en laat leiden
door de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. Je stelt in de
wetenschappelijke theorieën en uitspraken een onbeperkt vertrouwen, ook als je je
bewust bent van het feit dat elk ogenblik kan blijken dat ze fout waren of
bijgesteld moeten worden. Je kunt dat vrijdenken typeren als 'rationeel' denken,
omdat het een denken is dat zich bedient van de aan wetenschappelijke normen
onderworpen 'rede' en dat op grond daarvan tot de verwachting leidt dat langs die
weg tot geldige kennis omtrent de werkelijkheid gekomen kan worden. We hebben nu
te doen met een positieve vorm van vrijdenken omdat het nu niet gaat om verzet
tegen iets bepaalds, noch om het loskomen van allerlei duidelijk omschreven
dogma's, maar om het verkrijgen van een feitelijk verantwoord wereldbeeld zonder
oncontroleerbare waanvoorstellingen.
Het eerste en belangrijkste bezwaar tegen deze opvatting van vrijdenken echter is
de afhankelijkheid van de wetenschappelijke ontwikkeling, die in zoverre
onbetrouwbaar is dat zij enerzijds steeds voorlopige kennis oplevert - die morgen
weer anders kan zijn - en die anderzijds in niet geringe mate cultuurgebonden is.
Wat dit laatste betreft: de relatie tussen datgene dat als waarheid gesteld wordt
en de heersende cultuurvoorstellingen is veel en veel inniger dan zelfs de meeste
vrijdenkers zich realiseren. Zo speelt bijvoorbeeld het vage besef dat er aan het
bestaan van het heelal een begin en einde moet zijn een cruciale rol bij het
accepteren door de meeste wetenschappers van de 'Big Bang' theorie. Er is immers
een duidelijk aanwijsbaar begin...
Het tweede bezwaar is dat het voor niemand, ook niet voor de wetenschapper zelf,
mogelijk is zich van alle wetenschappelijke ontdekkingen op de hoogte te stellen.
En je kunt niets controleren. In verreweg de meeste gevallen moet je er maar
vertrouwen in hebben dat je de juiste informatie krijgt en dat die ook nog te
begrijpen is. Een en ander betekent dat als het er op aankomt niemand een
concrete inhoud kan geven aan zijn vertrouwen in de wetenschap en het 'rationele'
denken. Welbeschouwd komt het er op neer dat wetenschappers zich op dezelfde
wijze kùnnen gaan gedragen als de godsdienstigen, namelijk wanneer zij bepaalde
verworvenheden in de wetenschap heilig gaan verklaren. Een argumentatie als:
"Wetenschappelijk onderzoek heeft immers uitgewezen dat ..." is dan vergelijkbaar
met een argumentatie als: "In de bijbel staat immers dat ...". Het is een
dergelijke argumentatie waarmee men enerzijds aanspoort tot en de voorwaarden
schept om het eigen denken achterwege te laten en die anderzijds als excuus dient
om geen eigen mening te hebben. Er is echter natuurlijk ook een belangrijk
verschil tussen de wetenschap en de godsdienst aan te wijzen. In de wetenschap
ligt er in principe niets vantevoren vast, terwijl in de godsdienst duidelijk het
tegendeel het geval is.
Als derde bezwaar is aan te voeren dat het maar zeer de vraag is of het
wetenschappelijke onderzoek een voorstelling, een wereldbeschouwing, oplevert die
in alle opzichten met de echte werkelijkheid overeenstemt. Anders gezegd: de
vraag is het of de 'wetenschappelijke wereld' samenvalt met de realiteit.
4. Zelfstandig denken
Vrijdenken kan ook nog inhouden dat je je steeds op eigen kracht een mening vormt
over de werkelijkheid in het algemeen en de bijzondere zaken in je omgeving.
Hierbij ligt de nadruk op het individuele karakter van het denken en op het
afwijzen van kritiekloze napraterij. Er wordt dan ook wel gesproken van
'zelfstandig denken'.
Het nadeel van deze omschrijving van het vrijdenken is dat hij niets specifieks
over het vrijdenken zegt. Immers, eigenlijk denkt iedereen zelfstandig. Een ander
kan onmogelijk voor je denken, onder alle omstandigheden denk je zèlf, ook als je
je voor laat schrijven waarover je moet denken, hoe je dat moet doen en wat de
uitkomsten moeten zijn. Bovendien kom je er geheel zelfstandig toe die
voorschriften al dan niet te accepteren. Het feit dat je je er doorgaans niet
bewust van bent dat je wat dit betreft toch een keuze maakt en het feit dat je
er, op grond van wat je via onderwijs en opvoeding ingeprent is, gemakkelijk toe
geneigd bent zodanig te kiezen dat je niet bij de anderen uit de toon valt doen
er niets aan af dat er een mogelijkheid was om nee tegen die opgedrongen
reglementering van je denken te zeggen. En daarin ligt je zelfstandigheid. Steeds
ben je bezig zelfstandig en op eigen kracht te denken, zij het bijna steeds
gebonden aan door anderen voorgeschreven normen.
Vooral in de westerse cultuur wil men graag hoog opgeven van het denken. Men
stelt het zelfs zo voor dat het denken de enige specifiek menselijke eigenschap
is en dat die de weg naar kennis opent. Toch kun je gemakkelijk constateren dat
het denken zich gemakkelijk laat manipuleren. Dat is zelfs in belangrijke mate
het geval in de wetenschap. Ook in de wetenschap verdoezelt de term 'zelfstandig
denken' in belangrijke mate de vooronderstellingen die in het denken gehandhaafd
worden, hij zegt niets over de informatie die gebruikt wordt en de methode die
men volgt. Met de omschrijving van vrijdenken als zelfstandig denken kun je alle
kanten uit: het kan zowel negatief, neutraal als positief zijn ten opzichte van
gangbare opvattingen. Maar ook is niet uit te sluiten dat het, geheel zelfstandig
uitgedachte, onzin oplevert, zoals dat bijvoorbeeld met alle ideeën over de
zogenaamde paranormale verschijnselen, met de gehele zogenaamde wetenschap van de
theologie en een belangrijk deel van het politieke en economische denken het
geval is.
5. Humanistisch denken
De opvatting dat vrijdenken hetzelfde zou zijn als humanistisch denken wordt ook
vaak gehoord. Maar ook hiertegen zijn grote bezwaren in te brengen. In hoofdzaak
komen die hierop neer dat het in het humanisme te doen is om een denken waarin
alles draait om de over zichzelf beschikkende mens. De term 'humanisme' zegt dus
feitelijk iets over het object van het denken, namelijk de mens die zich laat
gelden onafhankelijk van welke hogere macht dan ook. Bovendien impliceert het
humanistische denken min of meer stilzwijgend een bepaalde moraal, zoals die in
de termen 'humaan' en 'humaniteit' tot uitdrukking komt. In het vrijdenken
daarentegen is niet bij voorbaat een object voor het denken bepaald: het kan zich
overal op richten en het kan alles tot onderwerp hebben. Ook is er geen sprake
van een vooropgezette morele geaardheid van het vrijdenken.
Zoals uit het vervolg van deze uiteenzetting zal blijken betekent het feit dat
het vrijdenken geen humanistisch denken is niet dat vrijdenkers niet humanistisch
zouden zijn. De verhoudingen liggen echter zo dat 'humanistisch-zijn' meekomt aan
het vrijdenken, maar daarentegen geen doel op zichzelf is. Het zijn trouwens geen
omkeerbare verhoudingen: vrijdenken brengt onvermijdelijk humanisme met zich,
maar humanisme niet noodzakelijk vrijdenken...
6. Atheïstisch denken
Doorgaans laat het atheïstische denken zich gelden als eenzijdig een verzet tegen
allerlei godsdienstige opvattingen, gebruiken en machtsstelsels. Zo beschouwd
valt het onder de onder 1) genoemde rubriek. Maar daarnaast geldt hetzelfde als
wat van het humanistisch denken is te zeggen, als het namelijk gaat over de veel
gehoorde opvatting dat vrijdenken 'atheïstisch denken' zou zijn. Ook nu wordt bij
voorbaat een bepaalde kwalificatie aan het denken opgelegd. Het is de vrijdenker
echter niet bij voorbaat om het ontkennen van god of goden te doen. Het gaat haar
of hem er om dat het denken ontdaan wordt van alles wat het àfhoudt van zijn
eigen specifieke werkzaamheid, van zijn eigen 'natuur'. Het woordje 'vrij' duidt
dan ook op het zichzelf-zijn van het denken, op het onafhankelijke karakter ervan
en het feit dat het zich door niets van buitenaf begrenzen laat.
Wat het denken in de regel tot iets armoedigs maakt is het vanuit de heersende
cultuur opgedrongen complex van wanen, van inbeelding, van als absoluut gestelde
zogenaamd logische regels en dergelijke. Het oplossen van deze wanen is typerend
voor het vrijdenken, maar de vooropgezette eis bepaalde wanen, zoals die van de
godsdienst, af te wijzen is daarentegen geheel in strijd met het vrijdenken. De
terechte constatering dat vrijdenken vrijwel onmiddellijk tot goddeloosheid leidt
mag geen aanleiding zijn om de zaak om te draaien en het vrijdenken bij voorbaat
het etiket 'atheïstisch' op te plakken om vervolgens de eis te stellen dat
vrijdenkers atheïst mòeten zijn. De zaak ligt andersom: diegenen die zich tot de
vrijdenkersvereniging aangetrokken voelen blijken zelf al tot de conclusie te
zijn gekomen dat er geen goden zijn.
Tot zover een aantal omschrijvingen van het begrip 'vrijdenken'. De opvattingen
waarop deze omschrijvingen berusten hebben door de bezwaren die er tegen in zijn
te brengen hun geldigheid niet verloren, maar zijn voor het 'moderne' vrijdenken
toch te beperkt. Zij beschrijven in feite slechts bepaalde aspecten van het
vrijdenken die, afhankelijk van iemands karakter en omstandigheden, bij de een
wat meer op de voorgrond staan en bij de ander wat minder. Voor het 'moderne'
vrijdenken echter is het van belang er achter te komen of het mogelijk is in het
vrijdenken het begrip 'vrijheid' in volle omvang te laten gelden. Het zwaartepunt
van dit onderzoek ligt dan ook bij de vraag waarin die vrijheid gelegen is en hoe
zich die manifesteert. Daartoe is het noodzakelijk de hierboven genoemde, min of
meer traditionele, voorstellingen wat betreft het vrijdenken terzijde te laten en
helemaal bij het begin te beginnen.
Het is overigens opmerkelijk dat de vrijdenkers uit het verleden niet of
nauwelijks gepoogd hebben de essentie van het vrijdenken boven water te halen.
Over het algemeen hebben zij zich tevreden gesteld met een van de hiervoor
genoemde opvattingen, zonder zich te storen aan de oppervlakkigheid ervan. In de
vele discussies, die de vrijdenkers in het verleden met andersdenkenden gevoerd
hebben is dan ook telkens de ontoereikendheid van hun argumenten gebleken, maar
dat heeft hen blijkbaar niet verontrust. Het is daarom wel enigszins terecht dat
men de vrijdenkers met een zekere regelmaat dogmatisme verweten heeft, wel
aanvoelende dat juist de pretentie vrij te denken zich niet verdraagt met
oppervlakkige uitspraken.
Bij het zoeken naar een antwoord op de vraag wat vrijdenken nu eigenlijk is blijkt al spoedig dat het begin van de zoektocht niet ligt bij allerlei uitwendige zaken, samen te vatten onder de term 'de objectieve werkelijkheid', de onafhankelijk van ons bestaande 'buitenwereld'. De werkelijkheid buiten onszelf is niet zinvol te benaderen zonder inzicht in datgene dat zich in onszelf afspeelt. Bovendien verwijst de term 'denken' in het begrip 'vrijdenken' naar een persoonlijk proces, een zaak die plaats vindt in het individu, in jou en mij, en die zelfs, behalve als het gaat over de in een taal uitgedrukte resultaten, volkomen in dat individu opgesloten blijft. Zonder inzicht in, of op zijn minst enig besef van dat 'binnenwereldse' proces heeft het derhalve nauwelijks zin uitspraken over het vrijdenken te doen. Daarom begint deze beschrijving van het vrijdenken met een onderzoek naar datgene dat zich in een mens, en speciaal in een vrijdenker, afspeelt.
Vragen stellen
Mensen kunnen vragen stellen. Daarbij valt op dat lang niet iedereen de betekenis
daarvan inziet. Zelfs in het onderwijs remt men als regel het veelvuldig stellen
van vragen af. Vragenstellers worden als lastig ervaren, hun gezeur moet
onderdrukt worden. Het blijkt dat dit onderdrukkingsproces bijna altijd succes
heeft en dat de meeste mensen inderdaad na enige tijd ophouden met het stellen
van vragen, daarin gesterkt door het feit dat de suggestie wordt gewekt dat je
dom bent als je al teveel vragen stelt en vooral als je daarmee almaar aan de
gang blijft.
In feite wijst het ophouden met vragen stellen op een grote gevoeligheid voor het
mechanisme van het conditioneren, het inprenten enerzijds van allerlei als
waarheid voorgestelde kennis en anderzijds van methoden waarlangs het denken zou
moeten verlopen. Dit conditioneren verdrijft de twijfel die de oorsprong is van
al die vragen. Je kunt dus ook zeggen dat mensen die geen vragen meer stellen
opgehouden zijn te twijfelen. Waarom de ene mens hiermee gemakkelijker ophoudt
dan de andere laat zich in de praktijk niet verklaren - het is een aanleg die nu
eenmaal bij de een sterker is dan bij de ander.
Bij sommige mensen is de aanleg om zich te laten conditioneren, zich een
programma te laten opleggen, aanvankelijk nauwelijks effectief. Die mensen
blijven geruime tijd de hen aangeboden waarheden in twijfel trekken, zij stellen
almaar vragen. Dat duurt net zo lang tot zij tot de overtuiging komen het juiste
antwoord gevonden te hebben. Dan houdt het twijfelen en vragen stellen op. Dan
zijn er ook nog heel wat die nog steeds geen antwoord gevonden hebben maar die,
vaak na lang zoeken, hetzij uit angst, hetzij uit wanhoop of gewoon maar uit
vermoeidheid, berusten in een bepaalde wereldbeschouwing.
Tenslotte blijken er ook nog mensen te zijn die een dermate geringe gevoeligheid
voor conditioneringen hebben en die zich zo slecht iets laten wijsmaken dat zij
nooit ophouden met het stellen van vragen. Zij zijn zo 'eigenwijs' dat zij ook
niet de geringste behoefte gevoelen om ermee op te houden. De twijfel aan alles
wat zij voorgeschoteld krijgen, op welk gebied dan ook, blijft in hen doorwerken.
Steeds komt de vraag in hen op: "Is dat nu wel zo?".
Uit deze groep komen de vrijdenkers voort, maar niet al deze twijfelaars zijn
uiteindelijk tot de vrijdenkers te rekenen. Er kan namelijk de volgende
onderscheiding gemaakt worden: ten eerste zijn er vragenstellers voor wie de
vragen slechts betrekking hebben op een bepaald aspect van de werkelijkheid, en
ten tweede zijn er die hun gehele voorstelling van de werkelijkheid voortdurend
in twijfel trekken. Anders gezegd: eerstgenoemden leggen het zwaartepunt bij de
buitenwereld (objectief) en de als tweeden genoemden doen dat bij de binnenwereld
(subjectief).
De vragenstellers van de eerstgenoemde soort bewegen zich doorgaans op het
terrein van de wetenschap. Alles wat die te bieden heeft wordt gecontroleerd,
onderzocht en vergeleken met mogelijke andere opvattingen en theorieën. Uiteraard
gaat het nu om diegenen die de wetenschap beoefenen louter om die zaak zèlf, en
niet om diegenen die zich via onderwijs op de hoogte stellen van en bekwamen in
een bepaalde tak van wetenschap om te zijner tijd een goede positie te verwerven
en macht te kunnen uitoefenen. Eigenlijk worden die mensen ten onrechte
'wetenschappers' genoemd, in feite onderscheiden zij zich alleen maar hierdoor
van anderen dat zij een hogere opleiding genoten hebben, maar wat hun aard
betreft zijn het mensen die heel goed te conditioneren zijn. Dat hebben zij ook
wel nodig om een rol in de tegenwoordige maatschappij te kunnen spelen. Op
zichzelf is daar natuurlijk niets op tegen, maar het gaat nu om diegenen die aan
de gang blijven met het stellen van vragen. Dan denk je aan de 'bonafide'
wetenschappers. Kenmerkend voor hen is echter dat zij alleen maar geïnteresseerd
zijn in een bepaald terrein van de werkelijkheid en uitsluitend op dat terrein
stellen zij almaar vragen. Het kan echter heel goed zijn - en het komt dan ook
heel vaak voor - dat die 'bonafide' wetenschappers buiten hun vakgebied ernstig
geconditioneerd zijn en de meningen en opvattingen waarmee zij geconfronteerd
worden nauwelijks in twijfel trekken. Zij geloven bijvoorbeeld vaak met overgave
in god en de verhalen die hen door diens vertegenwoordigers verteld worden. Op
grond van hun wetenschappelijke instelling benaderen zij die verhalen wel op
kritische wijze, maar hun kritiek betreft uitsluitend de wijze waarop dat geloof
verkondigd en uitgeoefend wordt en niet het geloof zèlf. Dit is slecht èèn
voorbeeld, maar het is gemakkelijk er nog een aantal aan toe te voegen, op het
terrein van het politieke denken, het economische denken en dergelijke. Uiteraard
zijn er daarnaast wetenschappers die ook de voorstellingen buiten hun vakgebied
in twijfel blijven trekken. Zij behoren tot de vrijdenkers.
Creatief denkproces
Vrijdenkers zijn te typeren als mensen die niet aflaten hun eigen voorstelling
van de werkelijkheid als geheel, of zo je wilt hun wereldbeschouwing, in twijfel
te trekken. Dat leidt tot kritisch onderzoek van hun 'binnenwereld'. In feite
komt dat hier op neer dat zij hun voorstelling niet vastleggen en voor absoluut
geldig verklaren, maar haar steeds in beweging houden, haar beweeglijk laten
zijn. Hierdoor ontstaan er voortdurend nieuwe inzichten en ideeën, de zaak blijft
niet stilstaan bij een eens voor juist gehouden opvatting. De bron van deze
beweeglijkheid is zoals gezegd de twijfel die zich manifesteert in het almaar
stellen van vragen. Het proces dat daarvan in het denken het gevolg is kan met
recht een creatief proces genoemd worden.
Dat creatieve denkproces wordt gekenmerkt door wat genoemd zou kunnen worden
'non-conformisme'. Dat wil zeggen dat het niet bij voorbaat aan vormen en regels
gebonden is. Het houdt zich niet aan voorgeschreven denkramen en denkmethodieken,
zelfs niet als die algemeen aanvaard zijn. Allerlei soorten van 'heilige huisjes'
worden al helemaal niet in stand gehouden. Het gaat echter nog verder: het
creatieve denkproces, zoals zich dat in de vrijdenker afspeelt, laat ook niet toe
dat bepaalde standpunten en principes bij voorbaat als de maat gesteld worden.
Het creatieve denken, het vrijdenken, is op zichzelf volstrekt zonder standpunten
en het is volslagen principeloos.
Deze voor het vrijdenken zèlf geldende eigenaardigheden zijn natuurlijk niet van
toepassing op de resultaten van dat denken. De vrijdenker heeft wel degelijk
principes en hij huldigt standpunten, evenwel niet als van buitenaf opgedrongen
zaken en ook niet als vastgelegde, niet voor verandering vatbare, waarheden.
Practische kriteria
De praktische criteria voor het vrijdenken zijn de volgende:
1. Het vrijdenken is voor ieder individu een zuiver persoonlijke kritische en
creatieve activiteit. De vrijdenkster of vrijdenker is volkomen op zichzelf
aangewezen.
2. Geen enkele vorm van kennis kan door de vrijdenkster of vrijdenker bij
voorbaat, op gezag van wie dan ook, als waar of onwaar worden beschouwd.
3. Er zijn geen feiten, door anderen medegedeeld of voortkomend uit de
persoonlijke ervaring, die zonder meer als juist of onjuist kunnen worden
gekwalificeerd.
4. Geen enkele denkmethode, hoe effectief ook op bepaalde deelgebieden van de
werkelijkheid, kan als de enig juiste worden aanvaard als het er om gaat voor
zichzelf ficties, vooroordelen, afhankelijkheden en wanen op te lossen.
5. Het vrijdenken, in de zin van, tengevolge van het oplossen van wanen, leren
kennen van de werkelijkheid, kan niet gericht zijn op en afhankelijk zijn van het
verzamelen van zoveel mogelijk volgens de tijdelijk geldende normen als juist
gekwalificeerde kennis, maar het is gericht op inzicht, dat wil zeggen het op
eigen kracht doorzien van alles wat zich aan ons voordoet.
6. Het verwerven van inzicht is een persoonlijke zaak die niet tot vrijblijvende
intellectualiteit kan leiden, maar tot een onbevooroordeelde levenshouding waarin
het tot zijn recht komen van alles wat er is centraal staat.
Het laten gelden van deze criteria blijkt in de praktijk tot een aantal opvattingen te leiden waarin de vrijdenksters en vrijdenkers met elkaar overeen stemmen.
Leven zonder god
Het belangrijkste inzicht is ongetwijfeld dat de mens zonder god leeft. Wat dat
betreft doen zich twee mogelijkheden voor: de agnostische en de atheïstische.
Het agnostische inzicht neemt in de vrijdenkerij een niet onbelangrijke plaats
in. Het gaat er hierbij om dat nog nooit is gebleken dat er een hogere en
maatgevende goddelijke macht bestaat en dat het daarom geen zin heeft en zelfs
misleidend is aan te nemen dat zoiets er wel zou zijn. Maar, het ontbreken van
ervaringen betreffende goddelijke macht betekent op zichzelf nog niet dat die
macht er niet zou zijn. De agnosticus is van oordeel dat de mens daarvan geen
weet kan hebben en hij trekt daaruit de conclusie dat hij de zaak buiten
beschouwing moet laten.
Diegenen die tot een atheïstisch inzicht zijn gekomen hebben uit hun eigen
nadenken over de werkelijkheid de conclusie getrokken dat goddelijke machten er
helemaal niet kunnen zijn. Zij laten de kwestie dus niet buiten beschouwing, maar
geven een duidelijk antwoord. In de vrijdenkersbeweging is het atheïsme verreweg
de belangrijkste stroming, zo belangrijk dat De Vrije Gedachte zichzelf een
atheïstische vereniging noemt. Gezien in het licht van het oplossen van wanen en
daardoor leren kennen van de werkelijkheid is dit de meest consequente en
bijgevolg verantwoorde kwalificatie, aangezien er niets buiten beschouwing
gelaten wordt, hetgeen bij het agnostische inzicht wel het geval is.
Leven zonder god berust dus voor de vrijdenker niet op het buiten beschouwing
laten van een goddelijke werkelijkheid - in de praktijk doet iedereen, ook de
godsdienstige, dat vanzelf al - maar op de volstrekte zekerheid door niets hogers
overtroffen te worden en bijgevolg onafhankelijk en volstrekt zelfstandig te
zijn.
Leven in een vrije wereld
De vrijdenkers zijn niet alleen tot de conclusie gekomen dat de mens niet
onderworpen is aan een goddelijke hogere macht, maar ook dat menselijke hogere
machten niet overeen stemmen met de aard van de werkelijkheid. De tot op heden
meest funeste menselijke hogere macht blijkt die van de godsdiensten te zijn. Het
feit dat een groot aantal mensen in een god gelooft wordt door de vrijdenkers als
een gegeven aanvaard, begrijpelijk gevolg als het is van een gebrek aan inzicht
in de werkelijkheid zoals dat van een vooralsnog ònvolwassen mensheid verwacht
kan worden. Maar dat er op grond van dat geloof mensen onder druk worden gezet,
belemmerd worden in hun ontplooiing en dat er wereldomspannende machtsstelsels
worden gehandhaafd is voor de vrijdenkers in strijd met de aard van de
werkelijkheid en dus onaanvaardbaar. Ten gevolge daarvan verzetten zij zich
heftig tegen elke maatschappelijke machtsuitoefening van de zijde van de
godsdienstige instituten, van welke signatuur die ook zijn.
Er zijn in de wereld echter niet alleen godsdienstige instituten, ook de
zogenaamde overheden laten zich als hogere machten gelden. Daarbij maakt het geen
wezenlijk verschil of die overheden democratisch gekozen zijn of niet: zij
oefenen macht uit over de mensen en die zijn verplicht zonder meer te
gehoorzamen. Voorzover die machtsuitoefening hier en daar een regulerende en
beschermende functie heeft in de vooralsnog onvolwassen maatschappij kunnen
vrijdenkers ermee leven, maar in die veel teveel gevallen dat het louter om
beheersing en reglementering van het individuele leven gaat verzetten de
vrijdenkers zich.
Leven in een vrije wereld betekent voor de vrijdenker dus niet alleen een zich
ontdoen van maatgevende machten, maar ook en vooral een voortdurend bewustzijn
van een eigen individuele vrijheid, die vormgegeven wordt door inzicht in en
besef van de samenhang in de werkelijkheid. En laatstgenoemd inzicht is de
grondslag voor het sociale gedrag van de vrijdenker.
Leven in een vredelievende wereld
Het kennen van de werkelijkheid zoals dat een gevolg is van het oplossen van de
inbeeldingen en wanen houdt in dat de vrijdenker geen enkele vorm van bestaan van
de werkelijkheid ontkent of buitensluit. Alles is in zijn wereldbeschouwing
opgenomen zonder dat hij voor het een of het ander een voorkeur uitspreekt. Er is
niets dat voor hem van meer waarde is dan iets anders. Hij stelt dus het een
nimmer boven het ander en daardoor is het hem onmogelijk van welk verschijnsel
dan ook te wensen dat het er niet was. Deze ònmogelijkheid is de grond van de
vredelievende wereld zoals die de vrijdenker voor ogen staat. Het begrip 'vrede'
houdt immers in dat het een, volwaardig zichzelf zijnde, naast het ander kan
bestaan.
Deze wereld is niet 'pacifistisch' in de zin van absoluut geweldloos. Een dergelijk onrealistisch ideaal is een luxe van diegenen die toevallig in een enigszins rustig gedeelte van de aardbol wonen. In feite kan vredelievendheid echter wel degelijk geweld inhouden, namelijk als het er om gaat agressie en moordzucht een halt toe te roepen. Hoewel dat geweld ook dan in strijd is met de vredelievendheid van de vrijdenker en dus door hem niet goedgepraat zal worden neemt hij daartoe toch zijn toevlucht omdat agressie en moordzucht de samenhang van de werkelijkheid verbreken en daarom noodzakelijk gestopt moet worden. Uit zichzelf houden agressie en moordzucht niet op.
Leven in een androgyne wereld
Wat vaak over het hoofd gezien wordt is het feit dat een goddeloos, vrij en
vredelievend leven niet mogelijk is zolang er ook nog een waardeverschil tussen
de vrouw en de man beseft wordt. De vrijdenker staat dan ook een 'androgyne'
wereld voor ogen, dat wil zeggen: een wereld waarin de mensen hebben leren inzien
dat voor ieder individu zowel vrouwelijke als mannelijke begrippen gelden en dat
het slechts evolutionaire accentverschillen zijn die het man-zijn en het
vrouw-zijn bepalen. In een androgyne wereld komen de vrouwelijke begrippen
eindelijk ook tot hun recht, hetgeen tot nu toe niet het geval is geweest. Een
van de meest desastreuze wanen is namelijk die van het mannelijke denken, dat
alleen maar uit elkaar kan halen (analyse) en met oorzaken en gevolgen kan werken
(lineair). Als gevolg van deze waan worden vrouwelijke begrippen òf totaal
genegeerd òf verkeerd geïnterpreteerd. Vandaar dat er geen warmte, geen
samenhang, geen schoonheid, geen liefelijkheid, geen vrolijkheid, maar wel
machtsstrijd, concurrentie, agressie, kilheid en dergelijke in deze wereld is.
Met het bovenstaande wil uiteraard niet gezegd zijn, dat er op mannen uitsluitend
de als mannelijk getypeerde begrippen van toepassing kunnen zijn of op vrouwen
uitsluitend de als vrouwelijk getypeerde begrippen.
In een androgyne wereld is er niets op zichzelf maatgevend. De betekenis van iets
wordt niet bepaald door dat iets op zichzelf te beoordelen, maar daarentegen door
het in zijn samenhang met al het andere te beschouwen. Zo krijgt een individu
geen betekenis door zich van de andere mensen àf te scheiden, zoals dat in de
machtsstrijd het geval is, maar juist door zichzelf als samenhangend met de
anderen te accentueren. Dat is dan ook wat je in het vrijdenken onder
'solidariteit' verstaan moet.
Uiteraard is er nog veel meer over het vrijdenken te zeggen, maar in grote lijnen komt de zaak op het bovenstaande neer. Bij het overdenken hiervan moet niet uit het oog verloren worden dat de vrijheid van het vrijdenken impliceert dat er onder de vrijdenksters en vrijdenkers een grote variëteit van opvattingen leeft. Sommige zijn varianten op het bovenstaande, andere zijn gebaseerd op een van de in aanvang opgesomde mogelijkheden. Binnen een vrijdenkersvereniging is dat allemaal mogelijk en eigenlijk zelfs noodzakelijk, omdat het de discussie over de werkelijkheid stimuleert en verdiept.
DE VRIJDENKERSVERENIGING DE VRIJE GEDACHTE
De vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte is een landelijke organisatie. De leiding daarvan berust bij het Centraal Bestuur, dat elke maand bijeenkomt. Eens per jaar wordt er een Algemene Ledenvergadering gehouden waarop, in tegenstelling tot de meeste andere verenigingen, iedere bezoeker mee mag spreken. Alleen als er over belangrijke zaken, rechtstreeks de vereniging als zodanig betreffend, gestemd moet worden kunnen slechts de leden deelnemen. De vrijdenkers hechten grote waarde aan de medewerking van een ieder die zich met het vrijdenken verbonden voelt, en zij willen dat niet beknotten door strenge formele regels, die voorschrijven wie er wel zijn ideeën naar voren mag brengen en wie niet. Uiteraard staat bij dit alles wel het belang van de vereniging voorop.
Ieder lid is een volwaardig lid. Dat betekent dat een ieder zelfstandig als lid
ingeschreven moet worden. Gaat het bijvoorbeeld over een echtpaar waarvan beide
partners bij de vereniging willen behoren, dan moeten zij elk onder hun eigen
naam ingeschreven worden, en afzonderlijk contributie betalen. De vrijdenkers
vinden het gebruik dat bijvoorbeeld een vrouw als vanzelfsprekend méékomt aan een
man niet stroken met de inhoud van het vrijdenken.
Om lid te worden behoeft niemand zich accoord te verklaren met de beginselen van
De Vrije Gedachte. Dat dit niet vereist wordt is geheel in overeenstemming met
het meest essentiële beginsel van het vrijdenken, namelijk de onvoorwaardelijke
vrijheid van ieder mens. Overigens: de praktijk heeft uitgewezen dat diegenen die
ontdekken zich toch niet verwant te voelen met het vrijdenken en het daarbij
behorende atheïsme vanzelf na enige tijd weer verdwijnen.
E-mail:DVG@netcetera.netcetera.nl