Vrijdenkersvereniging
De Vrije Gedachte
  • home
  • Journaal
  • Agenda
  • Informatie
  • Artikelen
  • Stelling van de week
  • Brief uit Engeland (16)
    Tony Akkermans

    De beroemde Britse econoom John Maynard Keynes zei het al: ?Op den lange duur gaan we er allemaal aan?. (?A tract on monetary Reforms?) Dat was toen als een grapje bedoeld maar voor de meesten van ons is het onderwerp 'dood een hoogernstige zaak waar weinig bij valt te lachen. De godsdienstigen hebben zich ingedekt maar hoe staan vrijdenkers tegenover de dood?

    Tot mijn 50ste verjaardag dacht ik nauwelijks aan de dood. De jeugd heeft het eeuwige leven en dood gaan is alleen weggelegd voor oude mensen. Nu op 57 jarige leeftijd ben ik me ervan bewust dat ik regelmatig, en vooral in het holst van de nacht, rekensommetjes doe over mijn levenskrediet. Ik verplaats me dan terug, zeg 25 jaar, naar een tijdstip of gebeurtenis, hetgeen wel gisteren lijkt, en besef me dan met schrik dat als ik deze korte periode er bij tel ik ruim in de tachtig zal zijn, als ik er zowiezo nog ben. Zulke macabere gedachtenspinsels zijn natuurlijk uit den boze en dienen verbannen te worden. Gemakkelijker gezegd dan gedaan. De nu razendsnel voortrukkende tijd drukt me onherroepelijk op de feiten. Ik wil nog zoveel doen en weet nu dat zoveel ongedaan zal blijven. Er staan boeken in mijn boekenkast die ik nooit zal lezen, er liggen spijkers in mijn spijkerbak die ik niet zal vertimmeren er zijn wandeltochten in de Yorkshire Dales die ik nooit zal maken. Mijn vader, die overigens 93 jaar oud is geworden, beschreef het zo: ?de eerste twintig jaren ervaar je als veertig, de tweede als twintig de derde als tien en de vierde als vijf?, een onontkoombare acceleratie naar het eindpunt. Waarom nu deze morbide beschouwing?
    Peter Brearey, de redacteur van het Britse
    Vrijdenkers maandblad the Freethinker, waarover ik toevallig in DVG 284 iets heb geschreven, is op 7 mei jl.. overleden. Hij werd slechts 58 jaar. Tot het laatst toe werkte hij met grote toewijding aan zijn taak. Zoals zo vaak het geval met vrijdenkers was hij scherp in woord en geschrift als het ging over het bestrijden van de boze invloeden van de godsdienst en de paranormale onzin van de new age, maar vriendelijk en zacht in de persoonlijke omgang. Hij ligt begraven op het eiland Sanday in de Orkneys waar hij vóór zijn sterven nog wat rust had gezocht. Meer dan een jaar geleden had hij mij nog gevraagd een artikel voor te bereiden over de Paus omdat hij ervan overtuigd was dat ?de ouwe sloeber op zijn laatste benen liep?. Nu te bedenken dat deze krakkemikkige potentaat zowel Marius Hofhuis, die hem wegens schending van de mensenrechten wilde aanklagen, en de brilliante Peter Brearey heeft overleefd. Bestaat er dan toch een wrekende God?!
    Nog een tweede sterfgeval, deze keer in Nederland, heeft me eveneens sterk getroffen. Een wat men dacht kerngezonde man, ook midden vijftig, plotseling weggerukt uit het leven. Hij was een zakelijk contact, geen familie of vriend maar met een zon goede verhouding dat hij dit evengoed had kunnen zijn. Ik kende geen persoonlijke achtergrond maar toen ik naderhand een dankbetuiging van de familie ontving was dit een verrassing. Geen vrome holle frasen maar een treffende erkentelijkheid voor het getoonde medeleven en de humanistische spreuk: ?Hij is wel weggegaan uit het leven maar niet uit ons leven, want hoe zouden wij iemand dood kunnen wanen die zo levendig in ons hart aanwezig is.? Hoe verkwikkend toch deze massale Nederlandse wegijling uit de ban van de vooroorlogse kerkelijke hersenspoeling.
    Met de opmars der jaren zullen de bovengenoemde droeve ervaringen mij in verhoogde aantallen ten deel vallen. Vandaar mijn concentratie deze keer op dit pijnlijke onderwerp: de grote D. Meer dan alle andere menselijke perikelen de harde onafwendbare kern van de menselijke conditie. Een bedreiging zo groot dat het wanhopige verweer er tegen in de tien duizenden jaren van het menselijk bestaan is gegroeid tot het fundament waarop alle geloofssystemen rusten. Na verwijdering van de kleurenrijke rituele omzwachtelingen blijft de spil waarom het bij al de godsdiensten draait het niet willen accepteren van het onherroepelijke einde van het leven, de grote eeuwige stilte. Het hiernamaals, hetgeen ons in de ene vorm of de ander door alle godsdienstsystemen wordt voorgeschoteld, is de grote troefkaart waartegen het sombere realisme van het ongeloof geen schijn van kans heeft. Vrijdenkers mogen dan de rationele argumenten winnen; de emotionele, die zwaarder wegen, zijn doorslaggevend. En de mensheid drijft op op haar emoties. Het is overigens wel zo dat de troostgevende constructie die gelovigen voor zichzelf hebben opgebouwd slechts werkt als een verdovingsmiddel. Echt geloven in een hiernamaals doen er weinig. Anders klampten ze zich niet zo verbeten vast aan het kostbare leven en zouden ze niet van alles en nog wat doen om er nog een kostbaar jaartje aan toe te voegen. Ze zouden met enthousiasme uitzien naar de overgang. Toch heeft het hemelverhaal een nuttige functie: het betekent, zoals ook op andere terreinen in de godsdienst, dat men over het onderwerp verder niet hoeft na te denken zodat de pijn van een diepgaande analyse wordt vermeden. Omdat ik weiger deze pijnstillende middelen te slikken moet ik bekennen dat ik de gedachte aan de eeuwigheid zeer verontrustend vind. Een periode zonder eind is voor het menselijke brein, dat gewend is alleen in trajecten met een begin en eind te denken, een griezelig idee. Als ik me hierin ga verdiepen moet ik dit afkappen anders lopen de rillingen over mijn rug. Om mezelf te troosten bedenk ik dan dat het bijzonder arrogant is van het menselijk ras, dat in intelligentie nauwelijks verder is dan de chimpansee, zich aan te matigen dat we overal een verklaringmoeten hebben. Dit begint al bij het ontstaan van het heelal de z.g. 'big bang theorie. Een verklaring, die echter slechts een halve verklaring is, want hoe ontstond de oerknal? Het is alsof het konijn in zijn hok zich waant te kunnen begrijpen hoe zijn hok ontstaan is. Maar ik heb er toch moeite mee mijn brein tot dit bescheiden niveau te degraderen en blijf met het probleem worstelen.
    Ik vraag me af hoe andere vrijdenkers die eveneens de hoop op het hiernamaals moeten missen zich tegenover het mysterie van de oneindigheid opstellen. Ik nodig uit tot een discussie in dit blad. Bij alle andere aspecten van het ongeloof sta ik sterk in mijn schoenen op het punt van de eeuwigheid vraag ik als uitzondering om geestelijke steun. Want aan het eind van mijn leven wil ik niet zoals Dylan Thomas me ?woedend verzetten tegen het sterven van het licht? maar zal ik liever berustend kunnen zeggen: ?Ik warmde mijn handen aan het levensvuur, de vlammen doven, gekomen is mijn uur.?