Vrijdenkersvereniging
De Vrije Gedachte
  • home
  • Journaal
  • Agenda
  • Informatie
  • Artikelen
  • Stelling van de week
  • De arrogantie van het geloof
    (deel 2)
    Simon Radius

    M'n God M'n God, er is geen God."
    Multatuli

    We mogen ons gelukkig prijzen met het werk van vier formidabele vrouwen, die allen de relaties tussen mensen beschrijven, de kloof tussen de mensen, hun liefde, hun verraad, hun macht over elkaar.
    Ik bedoel, Marguérite Yourcenar ("Hermetisch Zwart"), Marguerite Duras ("Hiroshima mon amour"), Iris Murdoch en Barbara Tuchman ("De Bijbel en het Zwaard, de waanzinnige 14e eeuw"). Alle vier houden zij zich op eigen wijze bezig met problemen van godsdienst, leven en dood, en vertegenwoordigen de vrouwelijke top van het huidige humanisme en het vrijdenken. "Wat het probleem van de kerk zo ingewikkeld maakt", zegt Tuchman "is dat in het geloof de sensualiteit/sexualiteit alleen onder speciale omstandigheden getolereerd wordt - in het huwelijk terwille van de voortplanting - maar dat in de praktijk de mensen zich daar nooit aan hebben gehouden, en de kerkleiders zelf, nog minder". Tuchman staat in de top van de engelse fiction-literatuur, doceert filosofie aan het St. Anne College in Oxford en schreef vier grote filosofische werken (over o.a. Sartre, "De soevereiniteit van het Goede") en een vijfde over Plato is onderweg. Zij verwoordt in enkele begrippen haar kritische humanisme, dat het godsbestaan en de hocuspocus rondom Christus afwijst, maar bepaalde kanten van het christendom aanvaardt. Zoals de Bergrede van oudsher ook is aanvaard door de grote vertegenwoordigers van het anarchisme, als Fourier en Proudhon en bij tal van kunstenaars. Zij gelooft niet in een andere wereld na de dood, alles speelt zich hier op aarde af en het wordt allemaal bestuurd door het toeval. Er is geen verborgen levenskracht en ook de geschiedenis heeft geen enkelvoudige, drijvende en zinsgerichte kracht. De bron van alle dingen is eerder een grote warboel dan planmatige doelgerichtheid. Zij voelt zich erg aangetrokken tot Plato, maar vindt in afwijking met hem, dat de ideeën geen bestaan -op-zich hebben en dat je je er ook niet toe kunt wenden. Voor het godsbegrip geldt uiteraard hetzelfde. Alles wat we over God zeggen is een illusie, zegt ze in de roman "Henry and Cato".
    Het is natuurlijk onbevredigend dat er na het leven verder niets is, en dat er ook geen laatste oordeel is, want veel mensen willen toch graag ooit horen wat ze nu goed en wat ze nu fout hebben gedaan. Die rekenschap wordt nooit meer afgelegd. - Er is geen uiteindelijke opheldering. - Het enige wat een mens hier op aarde kan doen - als hij er tenminste niet de voorkeur aan geeft om helemaal niets te doen - is dat hij levenslang probeert zoveel mogelijk waarheid te bereiken, wat dan in het verloop van dat proces "vanzelf" gelijkheid tussen mensen bevordert. De ordening van de warboel door het toeval is voor haar een van de weinige zekerheden die er zijn. De grote fout van het christendom is geweest dat Jezus niet een soortgelijke figuur als Boeddha is geworden, maar dan voor het westen, maar dat alles wat wij over goden verzinnen onze eigen illusies zijn, dat blijft rechtop staan voor haar. Het duidelijkst is dat bij het aanvaarden van de mythen: deze staan als het ware aan het begin van de godsdienstkaravaan van de hocuspocus, en doordat het bedenksels van mensen zijn is in onze geseculariseerde samenleving niemand meer kwaad als mythen psychologisch kunnen worden verklaard. Een waarheidszoeker weet ook, dat hij zich steeds af moet vragen of hij nog op de goede weg is. Zo te leven is veel moeilijker dan het weten, dat je door een Alziend Oog
    wordt gevolgd.
    Ook de wetenschap, de natuurwetenschap en de astronomie voorop met hun enorme grensverleggende ontdekkingen van de laatste 40 jaar, houdt zich bezig met de aard van de werkelijkheid die er buiten ons toedoen is, die in zekere zin eeuwiger is dan wij, die de mensheid al eeuwenlang inspireert na te denken en nader te omschrijven (vanuit de verbazing) hoe-dat-allemaal-zo-kan! En langs deze weg zijn we nu toch eind 20e eeuw tot de conclusie gekomen, dat de biochemische processen die uiteindelijk het leven op aarde deden ontstaan, miljarden jaren geleden al op gang moeten zijn gebracht en, waarschijnlijk ook door toeval en een wonderlijke samenloop van omstandigheden, tot stand zijn gekomen. Volgens wetten van voortdurende celdeling, van polaire kringlopen (deeltje-tegendeeltje), van kracht en tegenkracht, van aantrekking en afstoting, waarbij elke rusttoestand van tijdelijke aard is, en elke ruststand niet volledig voorspelbaar is. Het zal duidelijk zijn, dat wij het hartgrondig eens zijn met Murdoch, dat er geen sprake kan zijn van een ethisch wereldbeeld en dat ons, na onze dood geen verdere straffen, bekeuringen, noch beloningen en snoepjes te wachten staan. Vanuit de eeuwigheid gezien is er veel voor niets gebeurd, veel overbodigs, veel meer nog aan verkeerds geschied. Uiteindelijk is er het Niets van het Nirwana en de Leegte van het boeddhisme en het zenboeddhisme.
    De mythen geven ons een goede indruk hoe ooit denkende wezens zich het bestaan en de wereld 'achter' de verschijnselen voorstelden en voor iemand als Georges Bataille, een van de grote franse denkers van nu, moeten die mythen pas verwoord kunnen zijn (om over opschrijven maar niet te spreken) lange tijd nadát ze in de praktijk zijn uitgevoerd en heel langzaam zijn verdicht tot rituele handelingen.
    Dat is dus de omgekeerde weg die we altijd gedacht hebben. Godsdienst is kennelijk toch eerst beoefend geworden alvorens zij kon worden verbeeld en verklankt en genoteerd. Aan het begin stonden de offerranden, de handelingen. Inmiddels zijn we nu wel opgescheept met, zoals Murdoch het noemt, een reuzenkaravaan van godsdienstige evenementen: de oerhandelingen, de oermythen, de primitieve godsdiensten, de grote wereldgodsdiensten. En dat enorme grote grensgebied van de godsdienst: het bijgeloof, de medicijnmannen, de charlatans, de magie, astrologie, scientologie, de wondergenezers, de dwepers. En al deze geloofsvormen hebben hun eigen orthodoxie, hun afsplitsingen, hun eigen riten, offerandes en inquisities. Het is dan ook niet eenvoudig om te onderscheiden wat voor vrijdenkers, humanisten en overige onkerkelijken het ergste is: het officiele of het inofficiële bijgeloof. Want, al is de Rede niet alleen "zaligmakend", zonder de Rede is er alleen maar de onrede van de onverdraagzaamheid. Wat waar is, wat werkelijk is, krijgt een mens niet te pakken, hij kan ze wel vervangen door zijn woorden en beelden.
    Door te dringen tot de waarheid en de werkelijkheid en de ware werkelijkheid, geschiedt door ons ter beschikking staand instrumentarium van de menselijke geest door middel van de Rede (Logos via de wetenschap, door middel van de Verbeeldingskracht (Oneiros) via de kunsten en andere vormen van geestelijke creativiteit, waartoe o.a. alle vormen van inspiratie behoren en ook de mythen van alle volkeren. Alle technische instrumenten die de mens in de loop der tijden ontwikkeld heeft kunnen wij beschouwen als de extra verfijnde hulpstukken van het menselijk instrumentarium aan kenvermogen. Maar alle kennis die een mens en de mensheid inmiddels heeft verworven wordt en blijft in hoge mate bepaald door de struktuur van onze kenorganen, die ook deel uitmaken van de "ware werkelijkheid". We kunnen de dromen als een mooie illustratie zien. De menselijke geest blijft ook in de droom en de slaap "aanwezig", en via de dromen doen zich dan allerlei beelden aan ons voor die met de werkzaamheid van het "onbewuste" samenhangen. Maar een objectiviteit in de zin dat die werkelijkheid onafhankelijk van ons bestaat heeft de droomwerkelijkheid niet. Dromen kunnen ons hooguit iets vertellen - in vaak de mooiste beelden die het verstand soms nog niet eens had bedacht, - over onszelf, maar de menselijke Logos en Oneiros zijn niet in staat om de werkelijkheid van een ander wezen te verstaan zoals dat wezen zichzelf verstaat.
    De ontkenning van die samenhang tussen het product van ons waarheidzoeken en de instrumenten die ons daarbij ter beschikking staan, vinden wij geillustreerd in het verschijnsel godsdienst. De godsdiensten pretenderen een volstrekte zekerheid over hun kennis, en weten alle van de ware werkelijkheid, het heilsplan van de goden of van de Ene God. En doordat ze de mensen iets aanbieden waar zij vurig naar verlangen: de volstrekte zekerheid over de zin, en oorsprong van het leven en over de tijdelijkheid van de dood, zullen zij - ondanks de aftakelende secularisering - nog wel lange tijd in bepaalde behoeften in bepaalde bevolkingsgroepen blijven voorzien. Het zijn vooral de Middeleeuwen geweest waarin de kerkvorsten de wereldlijke vorsten voor hun karretje hebben weten te spannen (denk aan de kruistochten). En lange tijd zijn de koningen en keizers de Ridders van de Heilige Geest geweest. Met een glorieus hoogtepunt, dat ook een eind maakte aan de Middeleeuwen: de brul van Bonifacius VII van 1302 "Unam Sanctam", die de suprematie van de Kerk over het Verbond van Wereldlijke en Geestelijke vorsten beklemtoonde. Dante gaf deze Paus daarvoor een plaatsje in de hel (Divina Comedia).
    Met de opkomende nationale staten onder aanvoering van Frankrijk, met de Renaissance en de Verlichting is nu bijna overal de scheiding van Kerk en Staat een feit geworden en neemt de greep van de kerk in het westen in ieder geval steeds meer af. Daarboven ontstond een blijvend schisma van de latijnse en griekse kerk, en een zich steeds verder uitsplitsende Reformatie.
    Maar, en dat geldt vooral voor de R.K. kerk, zij heeft haar geloof in de Una Sancta en de uiteindelijke kerstening van de bevolking op aarde nooit opgegeven. De aanvaring die daardoor ontstaat met het levensgevoel van de twintigste eeuw is voor dit vasthoudend geloof geen hindernis, evenmin als het dat was aan het einde van de Middeleeuwen. Dat is de arrogantie van de Kerk, dat er niet geleerd wordt uit de ervaring. Het is het kenmerk van arrogantie in het algemeen.