|
Vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte
|
DE DRIE
GODSKWESTIES
Paul Hopster
Alle uitspraken over god zijn tot
de volgende drie te herleiden:
a. het bestaan van god
b. het kennen van god
c. het nut van god.
We gaan eerst in op de kwestie:
HET BESTAAN VAN GOD
Op de vraag naar het bestaan van god kunnen drie antwoorden gegeven worden:
1. god bestaat
De theist gelooft dat god bestaat en stelt dat geloof gelijk aan zeker weten.
Er is een onloochenbare existentie van god. Dat houdt in dat god er ook is voor
de ongelovige, god is er voor iedereen. De ongelovige dwaalt. Door niet in god
te geloven ontkent die ongelovige god nog niet. God valt helemaal niet te ontkennen,
hij is onloochenbaar.
God bestaat zelfs als je hem ontkent.
b. god bestaat niet
De atheïst gelooft niet aan het bestaan van god en beschouwt het geloof
als een vorm van creatie, niet als zeker weten. Hij loochent god, verklaart
god voor non-existent. Dat houdt in dat god er ook niet is voor de godgelovige,
god is er voor niemand. De gelovige dwaalt, heeft een waan betreffende god.
God bestaat niet, zelfs als je aan hem gelooft.
c.god bestaat voorwaardelijk
Er zijn ook mensen die stellen dat god alleen bestaat als je aan hem gelooft,
of dat god alleen voor die mensen bestaat die aan hem geloven. Er is geen existentie
of non-existentie van god, maar voorwaardelijke existentie. De voorwaarde is:
aan hem geloven.
Volgens mij kan deze opvatting voorwaardelijke existentie - ook gerekend worden
tot het atheisme. Er zijn dan twee typen atheïsten: zij die uitgaan van
de non-existentie van god en zij die uitgaan van de voorwaardelijke existentie
van god: god is er alleen voor de godgelovigen. Het eerste type, de harde atheïsten,
willen de illusie van de gelovigen dat god bestaat bestrijden, zij willen god
afpakken van de gelovigen. God is voor hen ook niet dood gegaan, heeft nooit
bestaan. Het tweede type wil niet de illusie over het godsbestaan afpakken van
de gelovigen, maar wel hun idee bestrijden dat god er ook is als je hem ontkent,
de illusie dat god onloochenbaar en onontkoombaar is, dat god niet ontkend KAN
worden.
De voorwaarde voor existentie van god is volgens de atheïst het geloof
aan god. De theist ontkent echter afhankelijkheid van geloof. God is er volgens
hem op zichzelf, onafhankelijk van de mens en van het geloof van die mens aan
hem.
God is absoluut, niet afhankelijk van geloof.
Atheisme betekent: er is geen god of er is geen god voor atheïsten (maar
wel voor gelovigen).
Voor de harde theist is god er voor iedereen.
Voor hem is god er ook als je niet aan hem gelooft
Voor de harde atheïst is god er voor niemand.
Voor hem is god er ook niet als je aan hem gelooft.
Tot welke type atheïsten zijn de vrijdenkers van De Vrije Gedachte te rekenen?
Ik denk deels aanhangers van het non-existentie standpunt, deels van het voorwaardelijke
existentie standpunt. Het eerste type heeft behoefte aan zending van (een) anti-god,
aan bestrijding van het godsgeloof en van de godsdienst en van de kerk. Het
tweede type wil strijden tegen het geloof dat god er voor iedereen is, dat god
absoluut is, maar kan goed leven met een god die gereserveerd blijft voor de
gelovigen.
Ik reken mijzelf tot het tweede type. Voor mij mag god best bestaan voor de
godgelovigen, maar houdt zijn bestaan op als je niet aan hem gelooft. Ik heb
geen behoefte aan een god, maar kan mij best voorstellen dat het makkelijk of
prettig kan zijn om aan god te geloven. Dat is geen tussenvorm tussen geloven
en niet-geloven. Ik geloof niet een beetje aan god, maar ik geloof wel dat godgelovigen
echt geloven aan god, echt geloven dat god bestaat zelfs voor mij, ongelovige.
Dit geloof is geen gedeeltelijke erkenning van god. Er is geen gedeeltelijk
echte god, maar een voorwaardelijk echte god. God is er alleen als je aan hem
gelooft en is er alleen voor hem die aan god gelooft.God is gebonden aan geloof
en gelovigen, gerelateerd aan geloven, dus relatief. De echte gelovige ontkent
dat verband met geloven, ontkent in zekere zin zijn geloof. Voor hem is god
losgemaakt van het geloof van de mens, geabsolveerd, absoluut. De godgelovige
gelooft dat zijn geloof los staat van het bestaan van god, hij gelooft dat god
er ook is zonder geloof (aan hem), gelooft dat god niet afhankelijk is van geloof.
De godgelovige stelt dat geloven gelijk is aan zeker weten. De ongelovige stelt
dat het een misvatting is om geloven gelijk te stellen met zeker weten. Gelovige
en ongelovige zijn het met elkaar oneens over wat geloven is. Dat is tevens
de basis voor hun onenigheid over het kennen van god.
Daarmee komen we op de tweede godskwestie:
HET KENNEN VAN GOD
Aangaande het -al of niet - kennen van god bestaan er drie visies. Naast de
visie van het theisme en het atheisme is er de visie van het agnosticisme. We
kunnen de volgende kenfunkties van god of van geloof onderscheiden:
a. geloven aan, te onderscheiden van geloven in.
b. zeker weten over god
c. zeker weten over geloven aan god
d. kennen
e. voorstellen
f. bewijzen
g. verklaren
We zullen steeds de visies van theisten,
atheïsten en agnostici over deze kenfunkties naast elkaar zetten.
a. geloven aan
Geloven-aan is een cognitieve funktie, geloven-in een emotionele funktie. Geloven-aan
god is: aannemen van het bestaan van god. Geloven-in god is vertrouwen in god,
of op god.
-theist: god is onafhankelijk van geloof aan hem. God is er ook zonder godsgeloof.
-atheïst: god is afhankelijk van geloof aan hem. Zonder godsgeloof geen
god.
-agnost: onbekend, onzeker of onduidelijk of god onafhankelijk is van geloof
aan hem.
b. zeker weten over god.
-theist: weet zeker dat god bestaat
-atheïst: weet zeker dat god niet bestaat op zichzelf. God is niet mogelijk
als onkenbaar, zelfstandig wezen.
-agnost: weet niet zeker of god bestaat. Hij kan niet met zekerheid te weten
komen of god bestaat. God bestaat niet zeker, maar mogelijk of waarschijnlijk,
dat is echter niet precies na te gaan. Het weten schiet daartoe te kort.
c. zeker weten over (eigen) geloof aan god.
-theist: weet zeker dat hij gelooft. Geen geloofstwijfel.
-atheïst: weet zeker dat hij niet gelooft. Geen geloofstwijfel.
-agnost: weet niet zeker of hij wel gelooft. Geloofstwijfel.
d. kennen
-theist: god is niet kenbaar (met zintuiglijke of cognitieve middelen).
-atheïst: god is kenbaar (namelijk als geloofsproduct van gelovigen). Indien
god zintuiglijk kenbaar - waarneembaar - zou zijn, zou geloof aan god overbodig
worden. God dient noodzakelijkerwijs onwaarneembaar te blijven, anders zou het
godsgeloof ophouden te bestaan.
-agnost: god is niet kenbaar met de beperkte menselijke kenfunkties. Ofwel de
kenapparatuur van de mens schiet te kort of god is van een andere dimensie dan
kenbaar door mensen. Wat betreft kennen van god verschilt de theist nauwelijks
van de agnost.
e. voorstellen.
-theist: god is niet voorstelbaar.
-atheïst: voortdurend maken gelovigen zich een voorstelling van god. God
is voorstelbaar als, of wordt vaak voorgesteld als: algoed, almachtig, alziend,
rechtvaardig, inspirator van de openbaring, verwekker van een menselijke zoon,
genaamd Jezus, etc. Als god niet voorstelbaar zou zijn, zou er geen god zijn.
-agnost: god is onvoorstelbaar. De agnost verschilt in deze niet van de theist.
f. bewijzen.
-theist: god is bewijsbaar en is bewezen door ontologische godsbewijzen.
-atheïst: god is bewijsbaar, namelijk als geloofsproduct of creatie van
de gelovige mens. Daarentegen zijn de ontologische godsbewijzen ondeugdelijk
en is er nooit een schijn van bewijs geleverd voor het bestaan van god als autonome
persoon of wezen of geest. Dat kan ook niet, want door god te bewijzen verliest
het geloof aan hem zijn zin. Het is juist voor de godgelovige van wezenlijk
belang dat god nooit aangetoond zal kunnen worden, dat ontologische godsbewijzen
nooit echt serieus genomen zullen worden.
-agnost: god is onbewijsbaar.
Op het punt van bewijzen neemt de agnost een uitzonderingspositie in ten opzichte
van de theist en atheïst.
g. verklaren.
-theist: god is onverklaarbaar. God is een mysterie. God dient ook niet verklaard
te kunnen worden.
-atheïst: god is heel goed verklaarbaar, bijvoorbeeld als projectie van
de mens, als verklaring voor niet begrepen natuurverschijnselen, als personificatie
van de dood, als effectief opvoedingsmiddel.
-agnost: god is onverklaarbaar.
Tenslotte komen we op de derde godskwestie:
HET NUT VAN GOD
Hoe wenselijk is god? Is god onmisbaar voor het handelen van de mens? Kan je
gewetensvol zijn zonder god?
Het gaat hier dus niet om de vraag naar het bestaan van god of het kennen van
god, maar het wensen van god, of het gewenst zijn van god, met nuances van noodzakelijkheid
en onmisbaarheid.
Over deze zaak staan theisten en atheïsten
ongeveer alsvolgt tegenover elkaar:
-theist: als er geen god was zou hij moeten worden uitgevonden.
-atheïst: als god er zou zijn, zou hij verboden of gedood moeten worden.
Het gaat hier om de volgende funkties van god:
a. god als goede voorbeeld.
b. god als middel tot verheffing van de mens.
c. god als verklaring van het kwaad.
d. god als bron van de moraal.
e. god als bewaker van de moraal.
f. god als noodzakelijke bewaker van de moraal
a. god als goede voorbeeld.
-theist: god is het ultieme goede voorbeeld voor handelen voor de mens. De mens
is naar gods beeld geschapen en dat beeld dient als voorbeeld voor de mens.
-atheïst: god is een slecht voorbeeld voor de mens:
= god is een voorbeeld van dictatuur door zijn almacht.
= god is een voorbeeld van willekeur als hij toestaat dat geluk en ongeluk,
rijkdom en armoede zo ongelijk verdeeld zijn in de wereld.
= god is een voorbeeld van onmacht als hij, ondanks zijn zogenaamde almacht,
het kwaad in de wereld niet kan keren, kan voorkomen of kan verminderen. Of
als hij de duivel niet kan verslaan of verdrijven.
= god is een voorbeeld van immoraliteit als hij het kwaad in de wereld schept
of toestaat. Als hij de duivel zijn gang laat gaan. Als hij het kwaad nodig
heeft om daarmee zijn almacht te bewijzen.
b. god als middel tot verheffing van de mens.
-theist: god maakt je door het geloof aan hem niet vrij van zonden, maar maakt
je wel tot een beter mens, verheft je tot een wezen met contact met het Hogere.
-atheïst: een godgelovige is niet een beter mens dan een ongelovige. Het
omgekeerde hoeft echter ook niet het geval te zijn. Wat een atheïst KAN
maken tot een beter mens dan een theist is het besef dat beoordeling en rechtvaardiging
van gedrag niet van buitenaf, van een niet-mens, komt, maar van de mens zelf
en dat je zelf daar bij voortduring mee bezig moet zijn.
c. god als verklaring van het kwaad.
-theist: de verklaring van het kwaad ligt binnen de mens, door zijn zondeval,
door het zich afkeren van god, door het niet luisteren naar zijn geboden.
-atheïst: de verklaring van het kwaad ligt in de mens, maar niet vanwege
geloofsafvalligheid, doch door ongelijkheid in maatschappelijke structuren (als
sociale klassen), ongelijkheid in bezit en macht en door ongelijkheid in aangeboren
en verworven vermogens.
Als god het kwaad niet kan keren, is hij niet almachtig. Als god het kwaad niet
wil keren, is hij zelf een deel van het kwaad.
d. god als bron van de moraal.
-theist: god is de bron van de moraal. God schept niet alleen de mens, maar
ook de moraal voor de mens en laat die moraal via het geweten van de mens aan
hem kennen.
-atheïst: de mens is bron van de moraal. De mens maakt zelf de moraal en
leert die via opvoeding en voorbeeld van anderen aan. God is geen oorzaak van
de moraal, maar gevolg van een bepaalde menselijke moraal, namelijk een moraal
die god schiep als bewaker van die moraal. Het blijkt echter dat de menselijke
moraal het heel goed kan stellen zonder die door de mens uitgevonden toevoeging
van god. De menselijke moraal kan heel goed zonder god.
e. god als bewaker van de moraal.
-theist: god bewaakt de moraal.
-atheïst: god is een menselijke schepping die door sommigen nodig wordt
geacht om de menselijke moraal te bewaken. Deze creatie is evenwel ondeugdelijk
gebleken, omdat ook godgelovige mensen bij voortduring immoreel (blijven) handelen.
f. noodzakelijke bewaker van de moraal.
-theist: god is onmisbaar als richtlijn voor handelen en om ontsporingen te
voorkomen.
-atheïst: er is geen god nodig om de moraal te bewaken, integendeel het
is nodig dat de mens, niet via gefantaseerde tussenpersonen, maar zelf zijn
moraal bewaakt. Door afspraken, regels, wetten en orde-maatregelen, maar ook
door te leren wie en wat je kunt vertrouwen.
Mensen kunnen het heel goed af zonder god, mensen kunnen het beter zonder god.